Het was koud en het begon nog harder te waaien toen de trein kwam binnenrijden. Toch was ik blij, want het was zo'n intercity waar ik met de rolstoel ook in de coupé kan zitten. Dat betekent extra veel warmte.
Ik ben de eerste die in de trein wordt gezet. Na mij komt er een hele stroom mensen binnen waar ik eigenlijk niet naar omkijk. Aan de andere kant van het gangpad gaat een man zitten. Hij valt me wel op omdat hij een hondje bij zich heeft, een kortharig, mooi, zwart hondje. Hij dirigeert zijn hondje om op de plek naast het raam te gaan zitten en gaat zelf op de stoel ernaast zitten.
Inmiddels heb ik mijn boek ingeruild voor mijn trillende telefoon en beantwoord ik wat appjes. Dan kijk ik op en valt het me op dat de man die naast me zit, huilt. Hij ziet dat ik hem zie. Wij kijken elkaar aan en zeggen niets. Hij heeft rood doorlopen ogen. Ik zie dat een andere man die in de buurt zit, het ook is opgevallen.
"Gaat het wel?" besluit ik uiteindelijk te vragen en ik baal dat ik geen zakdoekjes bij me heb (normaal gesproken heb ik altijd alles in mijn tas gepropt).
"Jawel," zegt de man, maar ik geloof hem voor geen meter. Hij haalt zijn neus op. "Nou ja, eigenlijk niet zo goed. Ik heb net gehoord dat mijn moeder is overleden, ik ben nu naar haar onderweg."
"Wat verschrikkelijk," zeg ik.
De man die voor hem zit zegt, "Dat heb ik ook mee moeten maken. Je moeder is het mooiste wat je hebt en kunt verliezen."
"Ja, dus nu zit ik met Kiki in de trein," zegt hij doelend op zijn hondje.
Dan komt er een conducteur langs. "Kunt u die hond niet onder de stoel leggen?" vraagt hij.
"Deze meneer heeft het vandaag eigenlijk nodig dat u iets aardigs tegen hem zegt," zeg ik.
Hij kijkt de man nog eens aan en zegt dan, "Laat die regeltjes zitten. Heel veel sterkte."
"Wil je morgen voor me bidden? Dan nemen we afscheid. Mijn moeder was nog jong en het ze was niet zo sterk, maar ook niet ziek."
En dat beloof ik hem.
Ik ben de eerste die in de trein wordt gezet. Na mij komt er een hele stroom mensen binnen waar ik eigenlijk niet naar omkijk. Aan de andere kant van het gangpad gaat een man zitten. Hij valt me wel op omdat hij een hondje bij zich heeft, een kortharig, mooi, zwart hondje. Hij dirigeert zijn hondje om op de plek naast het raam te gaan zitten en gaat zelf op de stoel ernaast zitten.
Inmiddels heb ik mijn boek ingeruild voor mijn trillende telefoon en beantwoord ik wat appjes. Dan kijk ik op en valt het me op dat de man die naast me zit, huilt. Hij ziet dat ik hem zie. Wij kijken elkaar aan en zeggen niets. Hij heeft rood doorlopen ogen. Ik zie dat een andere man die in de buurt zit, het ook is opgevallen.
"Gaat het wel?" besluit ik uiteindelijk te vragen en ik baal dat ik geen zakdoekjes bij me heb (normaal gesproken heb ik altijd alles in mijn tas gepropt).
"Jawel," zegt de man, maar ik geloof hem voor geen meter. Hij haalt zijn neus op. "Nou ja, eigenlijk niet zo goed. Ik heb net gehoord dat mijn moeder is overleden, ik ben nu naar haar onderweg."
"Wat verschrikkelijk," zeg ik.
De man die voor hem zit zegt, "Dat heb ik ook mee moeten maken. Je moeder is het mooiste wat je hebt en kunt verliezen."
"Ja, dus nu zit ik met Kiki in de trein," zegt hij doelend op zijn hondje.
Dan komt er een conducteur langs. "Kunt u die hond niet onder de stoel leggen?" vraagt hij.
"Deze meneer heeft het vandaag eigenlijk nodig dat u iets aardigs tegen hem zegt," zeg ik.
Hij kijkt de man nog eens aan en zegt dan, "Laat die regeltjes zitten. Heel veel sterkte."
"Wil je morgen voor me bidden? Dan nemen we afscheid. Mijn moeder was nog jong en het ze was niet zo sterk, maar ook niet ziek."
En dat beloof ik hem.

Reacties
Een reactie posten